Mijn foto
web-log.nl, powered by TypePad

Afbeelding_109_800x600Hoi. Ik ben Fennie Kruize. Ik ben theoloog, schrijfster, werkzaam als gemeentepredikant en ik hou van het leven. Deze weblog gebruik ik om gedachten , verhalen en overdenkingen met jullie te delen. Ik hoop dan ook dat mensen ,die hierin mee verder willen denken, reageren. Dat mag ook in het engels, frans, duits of spaans. Ik ben heel benieuwd waarom jullie deze weblog lezen en wat jullie ermee doen. Heb het goed. Fennie

Kan een mens zonder God?

Vreemde_godIedereen gelooft wel iets, is een opmerking die vaak wordt gezegd.  En meestal wordt deze opmerking gemaakt, omdat veel mensen het eng vinden te onderkennen, dat ze eigenlijk helemaal niets geloven. Tenminste niets wanneer geloven verbonden wordt aan het begrip ‘God’.  Bovendien zijn er zoveel onverklaarbare dingen in het leven, dat er toch wel iets als een God moet zijn, denken velen.

Mijn punt is, dat willen we deze vraag kunnen beantwoorden, we eerst moeten weten wat we onder het begrip ‘God ‘verstaan. Er wordt vaak over God gepraat alsof we allemaal helder hebben wat we ons er bij voor moeten stellen. Wanneer we er over doorpraten blijken de beelden van God echter nogal van elkaar te verschillen. Klaas Hendriks zegt dat God niet bestaat. En hij heeft in die zin gelijk , dat je niet kunt zeggen, dat er één Godheid bestaat.

God bestaat niet als absolute grootheid.

Wat wel bestaat , ...

Lees hier de gehele preek Download een_vreemde_God.doc

wij geloven, maar waarin?

Nationale synode.

De nationale synode , bestaande uit een aantal kerkgenootschappen, waaronder de PKN, heeft een nieuwe geloofsbelijdenis geformuleerd. Met de belijdenis doet zij een poging de breedte van de christenheid op één lijn te krijgen. In het volgende wil ik bij deze belijdenis een paar vragen stellen.

Uitgangspunt.

De geloofsbelijdenis begint met de woorden: 'wij geloven in de Levende God: Vader, Zoon en Heilige Geest'. Dit geeft aan , dat de drieenheid, ontstaan naar aanleiding van de geloofsdiscussies van de eerste eeuwen na Christus, nog steeds uitgangspunt van het christelijk geloof is voor deze kerken. Daarmee wordt dus aangegeven dat men niet terug wil achter de besluiten van de vroege synodes, te beginnen met die van Nicea. En ook uit de rest van deze belijdenis blijkt ,dat ,wat toen is afgewezen,  nog steeds wordt afgewezen. Mijn conclusie is dan ook, dat deze kerken wel de breedte van de christenen willen aanspreken, maar dat voor hen daar alleen diegenen toe behoren, die zich scharen in de traditie van de geloofsbelijdenissen van de kerk vanaf 325. Ik zal proberen dat duidelijk te maken aan de hand van het bespreken van de tekst.

God de vader.

Het eerste wat opvalt dat is dat men over God spreekt, zonder uit te leggen wat men met God bedoelt. Veel Godsbeelden die in de loop der eeuwen zijn ontstaan en verkondigd vanuit de geinstitutionaliseerde kerken hebben mensen doen afhaken, omdat zij met die Godsbeelden volstrekt niet uit de voeten konden. Blijkbaar is duidelijk voor de opstellers van deze geloofsbelijdenis wie of wat onder het begrip 'God' moet worden verstaan.

Het tweede wat opvalt, is dat men uitgaat van een God ,die als zelfstandig wezen opereert buiten mensen om. Wel met behulp van mensen, maar niet één van wezen met de mensen. Dit betekent dat een esoterisch Godsbeeld, waarbij God als levende vonk aanwezig is in al wat leeft, ook in de mensen, geen aanvaard Godsbeeld is. God staat buiten de mens.

God wordt schepper genoemd, zonder daaraan te verbinden waarvan hij de schepper is en wat scheppen inhoudt. Hij is de oorsproing van alle leven. Maar wat wordt daarmee bedoeld? Houdt dit in dat het goddelijk wezen, als de bevrijder uit de slavernij vandaan, de oorsprong, de drijfveer van alle leven is? Of is dit een tijdsbegrip en geeft het aan dat het leven ooit eens door deze God geschapen is?

God wordt ook beschreven als degene die het leven van de mens bestemd. Is dit een ander woord voor uitverkiezing en predestinatie? Welke rol speelt hierin de vrije wil van de mens ?

Er wordt heel stellig beweerd dat de mens zonder God, waar hij Hem vergeet en verlaat, de zin van zijn bestaan kwijt raakt. Ook hier is weer van belang dat duidelijk is over welke 'God' we het hebben. Ik ken veel mensen die zo zijn afgeknapt op het exoterische, buiten de mens staande Godsbeeld, dat zij juist door deze God te verlaten meer zin in hun bestaan hebben gevonden.

Er wordt ook beweerd, dat, waar de mens God verlaat en vergeet, de wereld gedoemd is in het oordeel te vergaan.  Alsof de wereld slecht zou zijn wanneer zij dit Godsbeeld niet aan zou hangen. Hebben christenen de vrede in de wereld gebracht? Hebben christenen de mensheid wereldwijd de ruimte gegeven op hun eigen manier, met hun eigen geloof en cultuur in vrede te leven? Deze vraag stellen is haar al beantwoorden. Ik kan boos worden bij dit soort hoogmoedige en pretentieuse uitspraken.

De enige reden waardoor het goed kan komen is dat God trouw blijft. Dat het goed is door Gods trouw , kan ik beamen. Maar daarbij heb ik wel een ander beeld van God, dan de God die van buitenaf ons bestemd tot dit spoor. Alles staat en valt dan ook in dit eerste gedeelte over God de vader met het beeld dat de nationale synode daarbij voor ogen heeft. Mijns inziens kan het niet ,dat we in deze er gewoon vanzelfsprekend vanuit gaan, dat iedereen bij het woord 'God' hetzelfde voor ogen heeft, laat staan wanneer we daar ook nog eens het woord vader aan verbinden.

God de vader is blijkbaar nog steeds het uitgangspunt. God als ouder zou nog te pruimen zijn, maar ook dan blijft het een term die uitegelegd moet worden. Over wat voor ouder - kind relatie hebben we het. De ouder die het pad van het kind bestemd en zonder wie het kind niet leven kan? Of de ouder als partner van het kind, met wie het kind in gelijkwaardigheid leven kan?

Jezus Christus.

Bij dit gedeelte ben ik in eerste instantie positief verrast. Jezus wordt gezien als geboren uit Israel, in hem is Gods verborgen hartklop te horen en hij wordt een rechtvaardige genoemd, die ons heeft voorgeleefd wat de wil van God is. Als esoterisch gelovige kan ik hier een heel eind mee uit de voeten. Alleen het woord 'verborgen' snap ik niet zo. Doet me aan die eeuwig onzichtbare God denken, die wel van alles doet, maar we zien er niks van. Laat die hartklop maar horen en zien , denk ik dan. Maar los daarvan, Jezus wordt in een context gezet en hij wordt tot een goed mens gemaakt , die één van wezen is met het goddelijk wezen. En dat we in Jezus God echt leren kennen is ook prima. In de verhalen over zijn leven komen we immers een mens tegen die laat zien wat echt menselijk en daarin echt goddelijk (goed) is. De vraag is alleen , gaat het hier om een God die ook in Jezus was, of om een God die alleen in Jezus was?

Moeilijker wordt het wanneer deze belijdenis begint over de verzoening door de kruisdood van Jezus. Het idee dat een mens , die 2000 jaar geleden leefde, de schuld van de mensheid op zich genomen heeft en daardoor die mensheid weer verzoend heeft  met God, roept bij mij geen geloofsvrijheid op , maar een afhankelijkheid die we als vrije mensen niet zouden moeten willen. Ook hier geldt weer dat het buiten de mens zelf wordt gelegd. Het is niet de mens ,die aan zijn verzoening met het goddelijk wezen moet werken. het is buiten hem om voor hem gedaan.

Bij de opstanding valt op , dat zij wordt verwoord in termen van nieuw leven. De problematiek rondom lichamelijke of geestelijke opstanding is daarmee omzeild. Het klinkt hoopvol. Toch zie je ook hier weer de invloed van een exoterisch godsbesef en een negatief mensbeeld. Geen mens is meer een hopeloos geval door Jezus sterven en opstanding, zegt de tekst. Met andere woorden , buiten dit godsbeeld en dit Jezus verstaan om is de mens nog steeds een hopeloos geval voor wie geen redding is. Ik realiseer me dat met deze vooronderstelling een groot deel van het bestaansrecht van de christelijke kerken staat of valt, maar waar halen we het recht vandaan nog steeds zo te denken? Dit is toch een meerwaarde denken dat aan de mens geen recht doet? Dat de verhalen uit de bijbel, ook die over Jezus, kunnen helpen om tot een goede zelfreflectie te komen en aan een vreedzame wereld te werken, zal ik nooit bestrijden. Maar de conclusie dat mensen , die deze weg niet gaan, hopelose gevallen zijn en de wereld tot een kwade wereld zouden maken , vind ik onacceptabel. Hierin baseert deze geloofsbelijdenis zich op een uitsluiting en veroordeling die de kerken eeuwenlang heeft gekenmerkt. Deze uitsluiting heeft mijns inziens echter meer kwaad dan goed gedaan . Bovendien wanneer jijzelf goed doet op basis van jouw eigen vertrouwde bronnen , betekent dat toch niet dat anderen , die zich op andere bronnen baseren , bij voorbaat fout zouden zijn. Je bent toch verkeerd bezig in wat je doet en niet in wie je bent?

De Heilige Geest.

Deze belijdenis begint met de woorden: 'met pinksteren is de Heilige Geest uitgestort'. Dat wekt gelijk de indruk dat daarvoor en daar buiten om geen sprake is van deze Geest. Of dit ook zo bedoeld is? Dat zou duidelijk moeten worden door de taal van zo'n geloofsbelijdenis. Ook in de woorden waarmee de Heilige Geest beschreven wordt, wordt duidelijk dat het om een Geest gaat , die van buiten komt. Weliswaar open hij hart en ogen voor Jezus, maar juist door hier van Jezus te spreken en niet van de Christus, wordt duidelijk dat de Heilige Geest ons verwijst naar de persoon Jezus van Nazareth en niet naar de Geestkracht , die in Hem was. En zo bevestigt ook dit gedeelte de beperking van de Christusgeest tot Jezus. het zijn anderen, doorademd weliswaar met de Geest , die ons op het spoor van naastenliefde brengen.

Het lichaam van Christus, de kerk.

Het slot van de belijdenis stelt het lichaam van Christus , de vertegenwoordiging van Christus op aarde, gelijk aan de kerk. Ook hiermee bevestigt zij de traditie der eeuwen die christen zijn zozeer aan de kerkelijke leer heeft verbonden, dat wie daarbuiten viel als niet- christelijk (hopeloos geval) werd weggezet.

De gebroken eenheid is een pijnpunt voor de deelnemers aan de nationale synode. Duidelijk is echter dat die pijn alleen de mensen betreft, die zich binnen de kudde van de ene herder ( en de ene ware kerk?) bevinden. Duidelijk is ook dat kuddedieren blijkbaar niet verschillend mogen geloven. Het verloren schaap moet teruggebracht en niet zoals Thomas in zijn evangelie schrijft , worden geprezen omdat hij het aandurft een eigen weg te gaan.

Onduidelijk is in hoeverre we andere godsdiensten accepteren als gelijkwaardige godsdiensten . Wie de verhalen leest over missionair kerk zijn in Nederland bespeurt de drang om te bekeren tot het zogenaamde ene ware geloof in Jezus Christus. In relatie tot de woorden over hopeloze gevallen, is de vraag prenant of er ook goede mensen buiten het christelijk geloof om te vinden zijn.

Het doel.

Het doel van deze geloofsbelijdenis is onderweg zijn naar de dag dat Jezus Christus terugkomt. De wijze waarop dit geformuleerd  is , wekt de indruk, dat dit een letterlijk te nemen gebeurtenis en dat we daadwerkelijk uitzien naar een terugkeer van de persoon Jezus van Nazareth. En het slot akoord geeft aan , dat aan alle veronderstelde ellende pas een eind komt, wanneer God daartoe besloten heeft. Wederom predestinatie dus.

Conclusie.

Het geheel van deze geloofsbelijdenis lezend kom ik tot de volgende conclusies:

- Er is geen ruimte binnen de ene kudde voor esoterisch gelovige mensen. Indien men het niet zo bedoeld , zullen een aantal begrippen opnieuw geformuleerd moeten worden.

- Het letterlijk nemen van bepaalde bijbelse verhalen is nog steeds uitgangspunt van denken. Symbolisch, spiritueel verstaan en letterlijk nemen lopen door elkaar heen.

- De verwoording van het geloof in de drieenheid heeft een mensbeeld tot gevolg die een onderscheid maakt tussen mensen die van God en mensen die van God los zijn. Daarbij worden christelijke kerkmensen , die dit geloof beamen neergezet als mensen van God en daarin goed en mensen die van God - los zijn als hopeloos en kwaadwillend.

- De kerken baseren zich nog steeds op hun meerwaarde gelegen in vermeende krachten buiten hen om en niet op een eigen innerlijke waarde.

Tenslotte.

Ik werk nog steeds binnen de kerk. Regelmatig wordt ik neergezet als een dwaaleraar . De voornaamste reden daarvoor is, dat ik Jezus Christus niet als de enige redder van de mensheid zie. Voor mij is het verhaal van Jezus belangrijk, omdat daarin duidelijk wordt wat het toelaten van de Christus geest, de goddelijke vonk, met mensen kan doen. Hoe goed een mens kan zijn. En dat geeft mij hoop en vertrouwen. Deze manier van denken ziet geen mens als een hopeloos geval, omdat geen mens van nature een hopeloos geval is. Vanuit deze manier van denken hoef ik geen onderscheid te maken tussen wel of niet 'christelijk-kerkelijke 'mensen. Door zo te geloven kan ik doorgaan. Wel vind ik het erg verdrietig dat daar blijkbaar binnen de ene  kudde geen plek voor is. Ik hoop nog steeds dat er taal gevonden wordt , waardoor al diegenen die er eeuwenlang bnnen de kerken niet mochten zijn, zich er toch thuis kunnen voelen.

Fennie Kruize

Download wij_geloven_in_de_levende_go21.doc

Esoterisch bidden

Bidden_800x600Bidden esoterische gelovigen ook, is één van de vragen die steeds terug komt ,wanneer ik met mensen praat over esoterisch geloven. Bidden is volgens het Nederlands woordenboek : ‘je richten tot God’. Voor mensen ,die door het exoterische geloven gevormd zijn, betekent dit dat zij zich richten op iemand of iets dat buiten henzelf ligt.

Bidden is dan dat wat voor hen ‘God’ is, vragen om hen bij iets in hun leven te helpen.
De handen worden gevouwen, de ogen gaan dicht en de gedachten richten zich op het  hogere.
En dat lijkt een handeling die niet in overeenstemming is met het esoterische denken.
Dan is God immers niet de hogere, de gans andere, of hoe je God ook verbeeldt, die zich buiten de mens bevindt.
God zit in het esoterisch geloofsbeeld immers in de mens zelf.
En hoe bid je dan?

Laten we als uitgangspunt blijven nemen dat bidden is: ‘je richten tot God’.
In het esoterische geloven is God een geheel aan positieve energie die zich ook in de individuele mens bevindt.
In deze zin is het woord ook essentieel. Het Goddelijke is namelijk niet beperkt tot het individu. Gods vonk zit ook in de ander, de medemens, de dieren en de planten. Gods positieve energie is aanwezig in heel de schepping.
Alleen niet als het ‘gans andere’ maar als geïntegreerde levensenergie.

Wat is vanuit deze geloofsgedachte je richten op God?
Het is je richten, je concentreren op de aanwezigheid van positieve energie in jezelf, in de andere, in het geheel van de schepping. Het is mediteren, overdenken, tot rust komen, zitten en wandelen met het Goddelijk Zijn.
Bidden is esoterisch gezien toelaten, dat die positieve krachten, die al intern aanwezig zijn in alles wat leeft, ook naar buiten kunnen komen.

Esoterisch geloven wekt de indruk, dat alles van de mens zelf moet komen, is een andere opmerking ,die ik hier vaak bij hoor.
In het klassieke gebed kan ik God die iets , iemand anders is dan ik zelf,
vragen mij te helpen.
In het esoterische geloof vraag ik eigenlijk mezelf om mij te helpen.
Wat is het onderscheid tussen mijzelf en het goddelijke?

In de esoterische wijze van geloven zijn deze twee heel nauw met elkaar verbonden.
We moeten alleen goed onderscheiden tussen wat met elkaar verbonden is.
Wanneer wij het over de mens of over onszelf hebben , bedoelen wij over het algemeen ons totale zijn. Dat wil zeggen een mens van vlees en bloed, lichaam en ziel.
In het exoterische denken is de mens daartoe beperkt en staat God buiten deze eenheid van zijn.
In het esoterische denken is de mens meer ziel dan lichaam. Het lichaam is niet fout. Er moet ook goed voor gezorgd worden. Maar dat doe je van binnenuit, vanuit je eigen zielskracht.
En in het woord kracht ligt de verbondenheid met het Goddelijke. Door de goddelijke vonk, de positieve energie , de motor van je ziel te laten zijn, los je niet alleen je problemen op, maar samen met dat wat voor jou God is.

Belangrijk hierbij is, dat deze esoterische wijze van geloven vraagt om genezing, heelwording van de ziel. In de ziel, het binnenste voelen, moeten God en mens samenvallen. Door dat toe te laten kan er voldoende kracht zijn om met de levensproblemen om te gaan.
Er zal dus bijvoorbeeld geen gebed zijn om uiterlijke genezing, maar wel om voldoende zielskracht om met ziekte om te leren gaan. En het is die zielskracht ,die het ziek zijn, (of andere problemen) draaglijker maakt.
Geloven in esoterische zin betekent dus niet dat je alles alleen moet doen.
De helper komt alleen niet van buitenaf, maar van binnenuit.

In de praktijk van het bidden betekent dit , dat je je naar binnen richt. Je laat de stem van je hart meer spreken. Je laat gedachten, oplossingen toe. Je laat ze bij jezelf of bij anderen naar boven komen. Je ziet energie, warmte, naar je toe komen via de signalen in de natuur.
Dat alles bij elkaar richt jou als mens op. Het geeft je innerlijke kracht om door te gaan,
goed te doen, lief te zijn. Het is een beroep op jezelf. Maar ‘jezelf ‘zijn is ook goddelijke aanwezig zijn. In de taal van het gebed betekent dat:

God , bron van leven, van liefde, van positieve energie,
wees zo in mij aanwezig, vul zo mijn wezen,
dat ik verder kan,
dat ik stralen kan,
dat ik leven kan
vanuit de kracht van mijn ziel,
ook al laat het lichaam het afweten.
Wees zo vol ruimte, vol rust en liefde aanwezig in mijn weten,
Dat ik dit ook toe kan laten bij de ander,
die mijn zielsverwant is,
bij de mens met wie ik leven wil,
in de natuur, het leven van dieren, in de samenleving,
overal daar waar Goddelijke levenskracht er wezen mag.

En amen? Ach waarom? Dit is toch genoeg?

Esoterisch geloven binnen de PKN

ZonsondergangOpenbare classis

Gisteravond 29 september was de openbare classisavond over esoterie. Drs. Boswinkel, studiecoördinator van de Hogeschool Utrecht hield een inleiding voor een in redelijke getale opgekomen publiek. Zijn inleiding was helder en positief ondersteunend ten aanzien van een esoterisch christendom. Hier en daar waren woorden wat academisch geladen wat het minder toegankelijk maakte voor niet – ingewijden. Maar z’n betoog was duidelijk.

Helder zette hij het verband neer tussen esoterisch christendom, metafysica en spiritualiteit.
Ook maakte hij duidelijk dart esoterisch denken een verdieping teweeg brengt tussen religie en wetenschap. En zij doet dat omdat zij niet van het waarneembare alleen uitgaat, maar ook vraagt naar de er achter liggende zingeving. De  vraag naar het diepere weten
Goed was hoe hij de esoterische mens neerzette als een religieuze, vragende en filosofische mens die bezig is met een voortdurende zoektocht naar wijsheid. Een mens zonder leer en dogma, gericht op wat boven zintuiglijk is en gedacht vanuit het innerlijk van de mens.

En met name in de manier waarop hij de verbinding legde tussen esoterie en wetenschap werd duidelijk dat echte wetenschap meer met empirische wijsheid  dan met vaststaande waarheid te maken heeft.
Hij zette de verschillende denkmodellen neer op basis waarvan je de bijbel kunt lezen. En kwam daarbij tot de conclusie dat het esoterische model vanwege haar directe verbondenheid met religieuze ervaring van wezensbelang is voor de voortgang van de religie.

Ook interessant, hoewel subliem weergegeven, was zijn duiding van het kerkelijk christologisch denken. Hij benadrukte dat het christendom de enige godsdienst is waarin de figuur van één persoon zo centraal staat. Bij de esoterische mens, zo gaf hij aan, gaat het om de vraag naar de uniciteit van de vleeswording in Jezus van Nazareth, zijn manier van mens zijn en zijn goddelijke inspiratie.
Al met al een goed college, wat voor mij inspirerend en stimulerend heeft gewerkt.
Maar dan…….

Het was pauze. En daarna mochten er verhelderende vragen worden gesteld. Nou die waren er niet. Had iedereen het zo goed begrepen? De wandelgangen vertelden iets anders.
Dan maar de echte vragen. Zelf dacht ik , de inleiding gehoord hebbend, ‘wat is er nou eigenlijk onredelijk aan esoterisch geloven?’ ‘Zou je het niet gewoon moeten omhelzen?’
De eerste vraag vroeg er naar. ‘Mag het binnen de kerken, gewoon esoterisch geloven?’
Het antwoord was duidelijk en te verwachten: ‘Waarom niet? Doe waar je je lekker bij voelt! Het enige probleem kan ontstaan wanneer er sprake is van een vermeende overtreding van een binnen een kerk afgesproken dogma.’
Daar sprong gelijk iemand boven op:
‘Je er lekker bij voelen is geen criterium. Er moet geweerd worden wat de belijdenis 
weerspreekt’.

En ook in het vervolg van de vragen die uit dezelfde hoek kwamen, was het verschil duidelijk.
De esoterisch denkende inleider ging uit van de vrijheid en gelijkwaardigheid van alle geloofsmodellen. ‘Als je je er maar lekker bij voelt’, stond model voor beleef daar je geloof waar het aansluit bij je eigen wijsheid.
Daarbij was het instituut kerk voor hem een door mensen gesticht sociologisch gegeven met een scala aan dogma’s, geboden en verboden.
Jezus was voor hem een mens met een goddelijke gedrevenheid

En wetenschap was nauw verbonden aan parapsychologie en metafysica.
Kortom in alles waar hij mee kwam was het uitgangspunt de innerlijke wijsheid van de mens gerelateerd aan bovenzintuiglijke waarneming, de waarneming van het onwaarneembare.
En dat zeg je dan tegen mensen voor wie de kerk heilig is en door God ingesteld, de mens een zondig en nietig wezen, Jezus de enige Verlosser en geloven een zaak die van buitenaf tot je komt.
Dat bereikt elkaar niet, dat bouwt elkaar niet op, dat verstaat elkaar niet. Het spel speelde zich wederom duidelijk zichtbaar af.
Er waren ook andere mensen. Mensen die genoten van de inleiding. Mensen voor wie esoterisch geloven de opening heeft gegeven tot werkelijk vrij kunnen zijn.

En dan de PKN
Het speelt zich voor je ogen af. Als classis heb je dit geloofsgesprek gewild. Maar was de verdiepende factor? Waar was de sturing van de voorzitter. Een aantal vragen waren duidelijk gericht aan de classis. Hoever mogen we, kunnen we gaan?  Wat doen we met artikel 1, waarin toch de exoterische God en de verzoening in Christus Jezus centraal staat?
Terwijl die vraag eigenlijk helemaal niet aan de orde was, werd dat antwoord gegeven. Een dominee zei h

et. Wel een dominee overigens die in Utrecht, dicht bij het synodebestuur, werkt, een door de wol geverfde kerkbestuurder. Ineens was het er. Een statement van een individu? Een statement van de PKN? Niemand weersprak het. Het stond gewoon. Toen later iemand doorvroeg naar artikel 1, was de verwijzing naar dit statement het enige antwoord. Of de vrager het begrepen heeft?

‘De PKN heeft het karakter van een belijdende kerk. Daarin baseert zij zich op de
belijdenissen van de traditie en staat zij open naar de toekomst. Dat maakt opnieuw belijden
mogelijk. Artikel 1 van de Kerkorde is dynamisch bedoeld. Het mag kritisch bevraagd worden. Het fundament van de kerk is de Schrift. Alles wat daarmee in strijd is moet je weerspreken. Maar je moet van goede huize komen wil je een fundament van de kerk kunnen aantasten. Ook als belijden in strijd is volgens jou met de Schrift moet je dat weerspreken. Dat is de roeping van iedere gelovige. ‘
Het enige fundament lijkt de schrift te zijn. Maar hoe leg je die schrift uit? Wat is je denkmodel? Een historisch denkend mens die de schrift letterlijk neemt zal tot heel andere conclusies komen dan een esoterisch denkend mens.

Verbeeldingen , ook in belijden, van God en mens, van Jezus, zijn dan zo breed als mensen het kunnen bedenken. Een kerk dus van alles kan en alles mag, als je het maar schriftuurlijk verantwoord?
Het geeft veel ruimte, zou je kunnen zeggen. Wordt dat ook bedoeld? Zegt de PKN hiermee,
dat esoterisch geloven geen ketterij is , en net zo acceptabel als welk geloofsmodel ook?
Na afloop vroeg ik wat na bij dezelfde dominee uit Utrecht. Wanneer ik hem goed begrepen heb, vindt hij zelf dat deze ruimte er moet zijn. En zolang iemand dominee is binnen de PKN mag hij of zij er eigen modellen op na houden, vindt hij. Of de hele synode dat vindt? ‘zeg het niet te openbaar, zet het niet op de agenda! De rechtervleugel , weet je wel…….’

De rechtervleugel krijgt veel aandacht binnen de PKN, al jaren lang. Haar geluid wordt openlijk gehoord . De nieuwe voorzitter komt uit een andere stroming.  Maar de indruk wordt gewekt dat alles wat niet uit de rechtervleugel komt voor ‘op de vlakte’ kiest.
De meneer die vroeg naar de relatie tussen esoterie en Kerkorde artikel 1, wil graag duidelijkheid. In zekere zin heeft hij die gekregen, volgens mij: esoterisch geloven mag ook binnen de PKN. Het zou fijn zijn wanneer dat geluid ook gewoon openlijk ging klinken.

Fennie Kruize

Meer lezen:

Lees het interview op kerknieuws.

Lees het artikel in het Reformatorisch Dagblad.

Volheid van God

God (bijbellezing: Matheus 27: 46)

Wat staat er eigenlijk in die bekende tekst van Matheus 27: 46

Gaat het over Godverlatenheid temidden van het lijden? Het diepe gat  waardoor je het lijden amper aankunt? Geeft het aan hoe menselijk Jezus eigenlijk was of is er iets anders aan de hand?
De aanleiding is een al decennia lang bestaand probleem van de zoon van een vader die aan het eind van de tweede wereldoorlog door de Nazi’s vermoord is.
En het probleem is het volgende. De vader, om wie het gaat , was van een groot gezin.
Negen kinderen waren er. De vader zat in het verzet en werd opgepakt. Hij werd ondervraagd, gemarteld en kreeg de doodstraf. En toen, vlak voor het einde, deed hij een boodschap uitgaan naar zijn vrouw en kinderen: Zeg hen: ‘ik ben bereid!’
En de zoon zit daarmee. Hoe kan dat? Hoe kan een mens, een vader van zoveel kinderen , dit zeggen. Hoe kan die bereid zijn om te sterven? Zou er dan geen enkele twijfel, geen enkele angst zijn geweest? Hoe je het ook went of keert,  hij liet wel zijn gezin in de steek!
En de zoon helemaal met deze vraag nu hij zelf tegen het einde van zijn aardse leven aankijkt.
En hij is helemaal niet bereid. Integendeel. Het is hier veel te mooi. Als het aan hem ligt……
En de dieper achterliggende vraag is dan ook: Hoe sterven mensen? Zijn mensen bereid om te gaan? Om los te laten? Ook als je eigenlijk nog veel te jong bent.  En dan is het meestal ook nog eens zo, dat je er zelf niks aan kunt doen. Maar zelf kiezen voor een levenshouding,
die de dood tot gevolg kan hebben, en dan durven sterven? Kan dat? Is een mens daartoe in staat?
Dit zijn vragen die dichtbij komen.
Hoe kan een mens bereid zijn om te sterven? Hoever gaat een mens in het geven van zijn leven. Maar ook: je leven geven voor anderen, kan dat? Kun je sterven accepteren,
als de consequentie van je daden?
De oorzaken waardoor je uiteindelijk als mens sterft, kunnen heel verschillend zijn.
Maar de vraag blijft hetzelfde: durf ik te sterven als het zover is?

Wat gebeurt er met Jezus? Hij hangt aan het kruis. En het is heftig. Hij weet dat hij dit niet zal overleven. En om hem heen is dan ook sprake van één grote duisternis. Er hangen geen vlaggen uit met de leus erop: ‘Hallelujah de Heer zal voor ons sterven!’ die vlaggen zijn veel later gekomen. Toen nog niet. Toen was er alleen verbijstering, verdriet.
Het is donker, het is koud, ongeacht de buiten temperatuur. Het is koud van binnen.
De duisternis valt tussen het zesde en het negende uur. Het zesde en het negende uur.
Zes is het getal van de menselijkheid. Negen is het getal van de baarmoeder, het eerste begin van de mogelijkheid voor een nieuw leven. Het lijkt alsof er niets meer tussen in zit.
De menselijkheid voorbij.
Er tussen liggen de getallen 7 en 8. Het getal 7, het is het getal van de keuze, die een mens kan maken. Het leven  heeft haar doel bereikt. Wat ga je doen?
En dan het getal 8. Acht is het getal van de Messias, van de mens zoals hij bedoeld is,
de mens die vol is van de Geest van God. Het lijkt allemaal niet meer aanwezig te zijn.
De tijd lijkt stil te staan. Het einde van de menselijkheid bereikt.
Hoewel? Toch niet….Het negende uur breekt aan. Er staat nieuw leven aan te breken.
Nieuwe menselijkheid, nieuwe mogelijkheden. En dan schreeuwt Jezus het uit.
Alleen wat schreeuwt hij? Op dat moment, als hij als het ware door de duisternis heen breekt,
iets van een horizon zichtbaar wordt….
Wat wil hij duidelijk maken? Welke gevoelens komen er naar buiten?
Wel zal bijna iedereen van ons zeggen en zo heb ik het zelf ook altijd geleerd:
‘Eli, Eli, Lama Sabachtani, , Mijn God, mijn God , waarom hebt ge mij verlaten?’
Psalm 22 is dat.  Zo heeft onze traditie het altijd doorgegeven. Jezus aan het kruis die duidelijk maakt , dat hij zich volkomen van God verlaten voelt. En daarna gaf hij de geest.
En eigenlijk hebben we dat ook altijd wel begrepen. Het was toch  vreselijk wat hem werd aangedaan. Onmenselijk wreed was het. Dan voel je je toch ook zo! Van God en mens verlaten!
Maar hoe zit het dan met die Vader van die zoon? Zijn lichaam was ook kapot gemarteld.
Maar hij bleef psalmen zingen over Gods liefde tot z’n laatste snik. En hij gaf door, aan z’n vrouw, z’n kinderen: ‘Ik ben bereid.’ Niks geen Godverlatenheid.
Kon hij dan meer aan dan Jezus?
En hoe zit het dan met al die andere mensen, die Godlovend voor het vuurpeleton ten onder gaan? Of met die mensen die te jong sterven, er menselijk gezien nog lang niet aan toe zijn,
en met een glimlach op hun mond over de dood heenkijkend de hemel al voor zich zien?
Hoe zit het  met mensen , die volkomen van binnenuit bereid zijn om te sterven.
Die er klaar voor zijn. Die juist op dat moment God zo heel dicht bij zich voelen.
Hoe zit het dan met die Godverlatenheid?

‘Eli, Eli, Lama Sabahhthanei’

Wat schreeuwt Jezus? In het boek ‘de esoterische traditie ’van G. de Purucker wordt een heel andere vertaling gegeven van deze tekst.
Eli, Eli, dat is duidelijk. Dat is hebreeuws voor : mijn God, mijn God.
Dat klinkt als Elia, wat het zelfde betekent. De God die wordt aangeroepen is de God van Israel, , de God van Jezus. Het is Abba Vader.
Lama is ook duidelijk, het betekent waarom .
En dan ‘sabahhthanei’. Volgens de esoterische traditie is dit een afgeleide van het woord shabbat. En dat is wat anders dan wat er in psalm 22 staat. Daar staat ‘azabathani’,
dat is een afgeleide van het woord azab, wat verlaten betekent. En dat is heel wat anders dan wat shabbat betekent. Het werkwoord shabbat betekent : vrede schenken, vol zijn van Gods vrede.
En stel nou eens dat Jezus niet heeft geschreeuwd:
‘Eli, Eli, lama sabathani’’
Maar
‘Eli, Eli, lama sabbathanei’ ?
Wanneer dat is wat Jezus schreeuwt vanaf het kruis, dan uit hij een heel ander gevoel,
dan wij altijd gedacht hebben. Dan is er geen sprake van God verlatenheid, maar  van Gods volheid.
‘Mijn God, mijn God, waarom schenkt u mij zo’n vrede? Waarom ben ik zo vol van uw vrede?
‘Wanneer dit door Jezus wordt geroepen aan het kruis, dan vraagt hij niet waarom het zo duister in hem is. Dan vraagt hij: ‘Hoe kan het? Er is zoveel duisternis om mij heen
en toch zit ik vol van uw vrede.’
En als dat zo is, als dit bedoeld wordt, dan kunnen we ook begrijpen, waarom die vader,
waarom mensen,  bereid kunnen zijn om te sterven. Dan kan Jezus, dan kan een mens de Geest geven. Dan kan, zoals Lucas het aangeeft de mens zijn Geest leggen in de handen van God. Dan kan hij zich overgeven , zich laten gaan. Of zoals Johannes het zegt:
Dan is het levensdoel volbracht.
En dat komt ook  meer overeen met wat ik gezien heb, bij al die mensen die ik heb zien sterven. Er is het verdriet, er is de pijn. Er is om hen heen de duisternis van het gevoel
in een leegte gevallen te zijn. En er zijn altijd mensen, die het niet begrijpen,   die zich verre van hen houden. En er zijn de mensen met de valse troost, zoals die ook rondom Jezus waren.
Maar er is ook die andere belevenis. Het voorhangsel dat scheurt. Het wegvallen van het niet weten. Zien wat er achter de mist van de dood hangt. Over de streep heenkijken. Ogen die naar binnen zien. Ogen die stralen. Er is het losscheuren van het aardse leven. Het als omstanders beven zoals de aarde beefde . Er zijn de steenrotsen die scheuren . Er is een God, die zich in alle heftigheid laat zien, die mensen raakt en aanraakt tot in het diepst van hun ziel.
Er is de verbondenheid met allen die zijn voorgegaan. Geliefde gestorvenen die er weer even zijn,  heel dichtbij, heel zichtbaar. Er is de stervende die de eerder gestorvenen ziet en die aangeeft: ‘Ze staan op me te wachten. Ze wenken ‘Kom.’
Het is er allemaal. Het is het bij elkaar komen van de menselijke en de goddelijke wereld
op het moment dat een mens echt sterven gaat. Er is de pijn , de onmogelijkheid om los te laten bij de achterblijvers. Maar er is ook het inzien,  het doorkrijgen,:
‘Kijk hij, zij is bereid.
  Hij , zij kan gaan.
  Hij, zij is vol van Gods vrede.’
Daarom kon die vader zeggen: ‘Ik ben bereid.’
Daarom kunnen zoveel mensen in vrede sterven. Kunnen mensen vrede hebben met het sterven. Daarom kon Jezus zijn geest laten gaan. Omdat hij,  omdat zij, hem niet los laten in een zwarte leegte , maar oplaten gaan in volle vrede.

Fennie Kruize

Mag je kinderen slaan?

Gebroken_hart(lezingen uit de bijbel: deut. 6: 4- 9 en
Spreuken 1: 8,9. 3: 1-12. 4: 1 .13: 1 en 24 en 19:18)

‘Wie zijn kind liefheeft , kastijdt het.
Die spaart de roede niet.’

Deze tekst uit het boek spreuken is de laatste tijd veel in het nieuws is geweest.
Een voorganger van een evangelische kerk in Amersfoort meent, in navolging van de evangelische kinderpsycholoog Dobson ,dat mede op grond van deze bijbeltekst
het geoorloofd is om kinderen te slaan. En dan niet in het wilde weg, maar als bewuste opvoedkundige methode. Een bijbels gerechtvaardigde corrigerende tik , zou je ook kunnen zeggen. En dan niet één tik, nee, ook meerdere tikken zijn geoorloofd. En het doel is het eigenzinnige kind tot een gehoorzaam kind te maken.

En dat begint al op de commode! Want , zo zegt Dobson:‘Kinderen met een eigen wil vragen erom geslagen te worden.  En die vraag dient gehonoreerd.  Een pak slaag kan te zacht zijn,
zo zegt hij verder ,  pijn is een uitstekend reinigingsmiddel.  Als lijfstraf wordt verboden is dat een trieste dag voor gezinnen  en vooral voor hun kinderen.’
En de Amersfoortse voorganger Goldschmeding is dat volledig met hem eens .En beide baseren zich daarbij op Gods Woord. En zij staan daarin niet alleen. In orthodox evangelische kringen, zoals in de evangelische stichting  voor jeugd en jongeren de Hoop en de aan hen verwante kindertelefoon Chris worden dit soort ideeën gepropagandeerd.
Het is Gods wil. De bijbel zegt het. Kinderen mag je slaan!

Tot zover deze manier van denken . En waar het nu om gaat is, of, los van de vraag ,of het überhaupt mag , dat kinderen geslagen worden, dit een bijbels verantwoorde manier van opvoeden is. Mag je zo de bijbel uitleggen?
Het eerste wat hierbij opgemerkt kan worden, is hoe gevaarlijk het is, om bijbelteksten letterlijk uit te willen leggen. Je neemt dan namelijk iets voor letterlijk bedoeld aan,
wat in een heel andere context en onder heel andere omstandigheden gezegd is. En de eerste vraag is dan: Is het toen ook zo bedoeld,  zoals het nu wordt uitgelegd en toegepast. En een volgende vraag is: Waarom neem je sommige teksten wel letterlijk. Bijvoorbeeld als het om het slaan van kinderen gaat. En andere, bijvoorbeeld als het om het stenigen van anders gelovigen gaat , niet? Waarom deze willekeur?
Wanneer jezelf geneigd bent om te zeggen: Ik neem de bijbel voor letterlijk waar gebeurd aan, en wil daar ook nu nog naar leven,  dan is het goed bij jezelf eens na te gaan,
wat je dan wel en wat je dan niet letterlijk neemt. En waarom dat zo is.

Een heel erg dom voorbeeld hiervan is het omgaan met zogenaamde bijbelse kledingvoorschriften. De reden waarom op de veluwe nog zoveel vrouwen in een rok lopen,
is dat in de bijbel staat, dat vrouwen geen mannenkleding mogen dragen. Het komische is nu alleen , dat in de tijd waarin dat geschreven is, mannen lange jurken droegen en vrouwen van die wijde turkse broeken. Wanneer alle vrouwen op de veluwe in Turkse broeken liepen
waren ze naar de letter van de wet, maar nu slaat het nergens op.
En dat is maar één voorbeeld om aan te tonen , dat het gewoon niet mogelijk is de bijbel letterlijk te nemen. Niet in kleine voorschriften, ook niet in de grote zaken. De bijbel is een geloofsboek, of het nu om de schepping, om Jezus ,om kledingvoorschriften of om opvoeding gaat. En geloven is nooit letterlijk te nemen. Het is nooit feitelijk bewijsbaar. Geloven heeft te maken met inzicht, met innerlijk weten, met een wijze kijk op de werkelijkheid.
Het is niet wat je ziet, maar hoe je het wilt zien.

Een ander opvallend kenmerk van geloofsstromingen, die de bijbel letterlijk nemen, is ook,
dat daarbinnen vaak heel hiërarchisch wordt gedacht. Bepaalde zaken worden letterlijk genomen en letterlijk toegepast om bestaande machtsverhoudingen in stand te houden.
Zo wordt de tekst van Paulus, dat vrouwen dienen te zwijgen in de gemeente, nog altijd letterlijk toegepast in die kringen, waar men tegen de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen is , met name in het ambt of in het bekleden van politieke functies.
En zo zie je vaak dat waar kinderen worden geslagen, het niet om het welzijn van de kinderen gaat , maar om het in stand houden van de machtspositie van de ouders.
En nogmaals,  de hamvraag is dan: Is het terecht? Is het bijbels gerechtvaardigd  dit soort ongelijkwaardigheden in stand te houden en lijfstraffen te gebruiken om anderen,
in dit geval kinderen, onder je macht te houden?
Je zou kunnen zeggen, het is alleen te rechtvaardigen, wanneer je de bijbel letterlijk neemt.
Maar zelfs dan is de vraag of wat als letterlijk verstaan en uitgevoerd wordt, er wel zo staat.
Wat zeggen de teksten uit Spreuken ?

Allereerst het boek Spreuken zelf. Dat is een verzameling van tegeltjes wijsheden zou je kunnen zeggen. En tegeltjes wijsheden zijn leuk. Ze staan meestal heel goed op een toilet,
waar je de tijd kunt nemen om ze te lezen. En ze kunnen je wel degelijk op een bepaald spoor zetten. Ze zijn vaak ook heel relativerend. Maar ze letterlijk nemen? Ik denk niet dat veel mensen daarvan gediend zijn. En zo is ook de Spreuken een verzameling van wijsheden.
En welk wijsheden horen we daarin nu over de opvoeding van kinderen?
Eerst echter even die tekst deuterenomium 6. Dat zou je de geloofsbelijdenis van het joodse geloof kunnen noemen. En de hoofdlijn daarvan is, dat je dat wat de kern is van het geloof,
- God liefhebben bovenal  en je medemens als jezelf,- bepalend laat zijn voor heel je manier van leven. En dat is iets wat in spreuken bij herhaling terugkomt. Bij herhaling wordt gezegd:
‘Neem mijn geboden in acht.’
En mijn geboden, Gods geboden,  dat is de Torah. En dat is zo leven, dat die dingen,  waar de naam van God voor staat,  liefde, meeleven, rechtvaardig zijn, om maar een paar te noemen,
deel van je leven worden. Het doel is , dat ze onderdeel worden van jezelf.
En wel zo , dat je ook zelf zo omgaat met je medemens. En het doel van opvoeden is, dat ook aan je kinderen duidelijk te maken. En dat houdt niet in, dat kinderen het niet weten.
Vaak weten kinderen nog beter dan ouders wat goed en kwaad is en voelen zij dat van nature aan. Alleen in de opvoeding kun je hen helpen zo met dat inzicht om te gaan, dat ze ook weerbaar zijn tegen het kwaad en durven te gaan voor wat goed is.

En dan zijn er een paar woorden, die in de gelezen teksten uit spreuken steeds terugkomen.
En dat zijn de woorden: tucht en kastijding. En de vraag is dan: Wat is dat? Wat doe je dan?
Oorspronkelijk betekent tucht discipline bijbrengen. En discipline bijbrengen wil zeggen:
onderwijzen, inzicht verschaffen . En wie het woord dat hier gebruikt wordt  terug vertaalt naar het hebreeuws , die leert dat tucht inhoudt: weten, een geweten hebben, het innerlijk inzicht, de eigen wijsheid om te onderscheiden tussen goed en kwaad, tussen recht en onrecht.
Je kind tuchtigen is dus je kind helpen bij het ontwikkelen van het eigen geweten.
En dan kastijden .In het Nederlands woordenboek staat hierbij: straffen , tuchtigen met een verwijzing naar lichamelijk straffen. Wie dit woord echter terugbrengt  naar haar Latijnse oorsprong ontdekt dat het woord betekent : iemand ergens een afkeer van bijbrengen.
Zorgen dat iemand iets niet meer wil.
En terugvertaald naar het hebreeuws betekent het  : terechtwijzing, waarschuwing en tegenspraak. Iemand waarschuwen dat waar hij of zij mee bezig is, niet goed is.
Alleen de verwijzing naar lijfstraffen, slaan om tot inzicht te dwingen, dat staat nergens .
Wel staat er wat anders, zou je bijna kunnen zeggen,  namelijk dat opvoeden inhoudt
kinderen tot het inzicht te brengen, dat slaan fout is.
Maar ja , de roede dan?
Goldschmeding grijpt dat woord dankbaar aan om niet met zijn handen te hoeven slaan,
maar met een stok of een pollepel. Maar is dat  wat ‘je roede niet sparen’ inhoudt?
Het woord roede is hetzelfde woord als de bijbel gebruikt voor stok of staf.
En ik hoef daarbij maar één bijbelgedeelte te citeren,  om te weten waar het over gaat.
Psalm 23:

De Heer is mijn herder
Het ontbreekt mij aan niets
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water
Hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam
Al gaat mijn weg
door een donker dal
ik vrees geen gevaar
Want u bent bij mij
Uw stok en uw staf
zij geven mij moed

Een stok en een staf die in Johannes 10 bij het verhaal van de goede herder terugkomen.
Het verhaal waarin Jezus zichzelf de deur van de schapen noemt. En is dat een stok die slaat?
Is dat een staf die je neer doet vallen? Is dat een deur die knelt, of je opsluit in een donkere kast?
De stok en de staf waar de bijbel het over heeft, is de stok van Mozes die je de weg wijst door de  woestijn . Het is de staf van de herder die je helpt, de weg naar het leven te vinden.
Dat is wat een goede ouder zijn kind niet mag onthouden. De weg naar het leven.
Zich bewust worden van wat goed en kwaad is. Weerbaar zijn, goede keuzes kunnen maken.

De Goldschmedings van deze wereld wekken de indruk, dat dit er alleen maar ingeslagen kan worden en dat je door mishandeling leert om goed te doen.
Maar war kom je een God tegen in de Bijbel , die dat van zijn mensen vraagt?
Waar een Jezus , die zegt dat je geloof er met geweld in kunt drammen?
We weten toch allemaal wel beter?

Roede verwijst naar bescherming , leiding,  voortrekker zijn, stimulator.
Wie zijn kind liefheeft onthoudt hem dat niet
Die is er om samen met zijn en haar kind de weg van het leven te gaan.

Kind,
ik draag je in mijn armen
en laat je op je voeten staan
Ik kijk naar je
vol erbarmen
en ben je leven lang
met jou begaan.

Fennie Kruize

Een joodse moeder

MoederHet christendom en de Islam zou je de kinderen van de joodse religie kunnen noemen. Beide komen voort en zijn verbonden met het joodse geloof, zoals dat onder andere in de Tenach ( de basis van het christelijk Nieuwe Testament) is verwoord. Een Tenach die met name door de theoloog Miskotte is neergezet als een anti - heidens getuigenis.

Maar, zo bereikte mij de vraag van een collega- theoloog, wat is er mis met heidenen?

Wat is er mis met heidenen? Het antwoord op die vraag hangt af van wat we onder heidenen verstaan. Het Nederlands woordenboek zegt dat een heiden een vereerder van afgoden is en ongelovig. In de praktijk heeft dit ertoe geleid dat heidenen gelijk zijn gesteld aan mensen die niet christelijk zijn. Tenach kan daar niet over gaan wanneer zij zich tegen het heidendom opstelt. Er was immers in haar ontstaanstijd geen sprake van christenen.  Wat je wel kunt zeggen is dat Tenach laat zien dat heidenen mensen zijn , die  van –god- los zijn.

Maar wanneer ben je van God  los?

Ik zou willen zeggen dat van – god- los zijn inhoudt dat je je goddelijke drive kwijt bent. In Tenach betekent dat , dat je als mens alleen nog maar op je eigen ego bent gericht. Je houdt geen rekening meer met het goddelijk (spirituele)zijn en niet meer met de medemens. En in feite hou je ook geen rekening meer met je eigen innerlijk wezen. Een mens die van – god - los is gaat helemaal op in de materiele werkelijkheid. Dat is een mens die alles bewezen wil hebben en vast wil leggen in feitelijkheden en bezittingen. Je zou ook kunnen zeggen dat de heidense mens vervreemd is van zijn oorsprong.

In Tenach zijn dat niet alleen mensen die niet tot het jodendom behoren. Ook een joods mens kan heiden zijn, namelijk daar waar hij of zij de eigen oorsprong kwijt raakt.

In Tenach wordt dat zichtbaar in de verhalen waarin Israël in ballingschap, of in vervreemding gaat.

Je zou kunnen zeggen dat deze vervreemding ontstaat waar de sociale component vergeten wordt (medemenselijkheid), maar ook waar de goddelijke drive (spirituele inspiratie) vergeten wordt en geloven verwordt tot wetticisme. Met name tegen dit laatste heeft Jezus zich verzet. Dezelfde Miskotte noemt daarom het Nieuwe Testament een anti- judaistisch getuigenis. Dat is wat anders dan anti- joods of anti- semitisch. Het is niet anders dan anti- wetticisme. Je zou ook kunnen zeggen , dat Jezus zich keert tegen een heidense vorm van het jodendom. En dat is een jodendom dat haar bestaansrecht baseert op uiterlijkheden en niet op een innerlijke wijze van zijn.

Dit is overigens een wijze van religie beoefenen , die niet tot het joodse geloof beperkt is. Met name bij de twee kinderen, het christendom en de Islam, zie je dezelfde ontwikkeling zich plaatsvinden. Het zijn religies die hun bestaansrecht steeds meer gebaseerd hebben op uiterlijke kenmerken ( dogma’s, voorschriften) en historische feitelijkheden dan op een innerlijke levenskunst. En in die zin zou je de verwording van deze beide religies ook een heidens proces kunnen noemen.

De moeder en de kinderen hebben wat dit aangaat blijkbaar dezelfde afwijking in de genen zitten. Er is alleen één heel duidelijk verschil tussen de moeder en de kinderen. De kinderen zijn nooit tot een ras verworden of gestigmatiseerd. Onder alle soorten rassen en volken vind je moslims en christenen. En hoewel ze elkaar wederzijds soms het licht in de ogen niet gunnen, sterker nog, denken dat de ander dat licht niet heeft. En hoewel ze elkaar soms letterlijk het leven benemen naar aanleiding van hun geloof. Er is nooit een heel volk of een heel ras om vernietigd.

En dat is de moeder wel overkomen. De moeder is meer geworden dan haar geloof. Alleen daar is zij niet zelf mee begonnen. Het joodse geloof verwijten dat het een bloed en bodem geloof geworden is in nationalistische zin doet geen recht aan het joodse geloof.

Wat ik het meest schrijnende en meest onvoorstelbare aan met name de officiële en geïnstitutionaliseerde christelijke traditie vindt, is hoe zij eeuwenlang met joodse mensen is omgegaan. Joodse mensen zijn niet bestreden op basis van hun religieus bewustzijn, maar op basis van hun pure jood zijn. En in de beschaafde christelijke westerse wereld waren zij daardoor hun leven niet zeker. Een proces van bedreiging en ontkenning wat zijn climax heeft gevonden in de holocaust van Nazi – Duitsland.

Daarvoor woonden er joodse gelovigen met niet gelovige joodse mensen en vele anderen samen in Palestina. Na de tweede wereldoorlog ging een aantal van de joodse mensen, gelovig of niet, op zoek naar een plek waar ze veilig konden leven. Met name ten gevolge van de westerse politiek is dat Palestina geworden.

Van lieverlee heeft zich in Palestina de staat Israël gevestigd. Deze staat wordt geregeerd door joodse wel of niet gelovige mensen. Zij hebben het zwaar gehad. Zij hebben het nog steeds zwaar. Hun bestaansrecht , niet eens zozeer als staat, maar veeleer als ‘joods mens - zijn’ staat nog steeds niet voor iedereen gewoon buiten kijf. Sommige mensen uit de Arabische wereld, gelovig of niet, willen hen de zee in hebben. Prijsgeven aan het kwaad wil dat zeggen. Het kwaad dat hen al zoveel eeuwen bedreigt. Sommige christenen willen hen bekeren tot het in hun ogen enige ware christelijke geloof en zie hen nog steeds als de christenmoordenaars. Dat trauma, die angst voor verlies van het eigen zelf lijkt  bepalend te zijn voor het gedrag van de regering van de staat Israël. Daardoor lijkt zij soms meer op een heidense staat, van – god –los, dan een joodse staat zoals zij oorspronkelijk bedoeld was.

Wat deze staat doet ten opzicht van de Palestijnen is niet goed te praten. Andersom ook niet. Het is een stelletje filistijnen bij elkaar. Maar dat neemt niet weg, dat het hoog tijd wordt, dat je gewoon jood mag zijn, gelovig of niet.

Als het om de staat Israël gaat zou het fijn zijn wanneer zij zich zou houden aan de algemene rechten van de mens. Hetzelfde geldt voor de Palestijnen en voor wie dan ook.

Dat is echt gelijke monniken, gelijke kappen.

Wanneer het om de joodse moeder gaat zou het fijn zijn wanneer haar geloof zo door goddelijke inspiratie en medemenselijkheid bepaald zou worden , dat zij ook een bron van kracht kan zijn voor de medemenselijkheid in heel de wereld. Als het om de kinderen gaat , wordt het tijd dat zij hun moeder eindelijk eens de eer geven die haar toekomt.

Fennie Kruize

De Classis Groningen en esoterisch geloven

Dinsdag 29 september is het zover. Dan zal de classis Groningen in gesprek gaan over esoterisch geloven. Het is een openbare avond geworden waar iedereen welkom is, ook om mee te praten, heb ik begrepen. Het begint om 20.00 uur in de Lutherse Kerk, Haddingestraat 23 in Groningen.

Er is een inleider. Drs. H. Boswinkel, studiecoordinator van de afdeling Geesteswetenschappen van de Hogeschool Utrecht, zal dit voor zijn rekening nemen. Het is de bedoeling dat het een algemene bespreking zal zijn, die niet direct gekoppeld is aan ds. Fennie Kruize en haar boek goddelijke vrijheid, was de mededeling van de classis, toen deze avond in eerste instantie werd aangekondigd. In de uitnodiging wordt echter wel degelijk een verband met haar gelegd. En wel in de volgende bewoordingen, ik citeer:

‘ds. Fennie Kruize, predikant in de classis Groningen, vraagt in haar boek ‘Goddelijke vrijheid’ uitdrukkelijk aandacht voor esoterisch geloven. In haar boek neemt zij o.a. stelling tegen de gedachte , verwoord in artikel 1 van de kerkorde, dat Jezus Christus de (enige) ‘Heer en Verlosser van de wereld’ is. Volgens haar gaat het niet om Jezus van Nazareth op zich, maar om de ‘Christusgeest’, die niet exclusief eigen is aan christenen, maar in ieder mens aanwezig is en heilzaam werkt, waar die door een mens in zichzelf gevonden wordt.’

Ik moet zeggen dat ik deze verwoording volledig recht vindt doen aan mijn stellingname. Het gaat immers om de centrale vraag rondom de verzoening, waarbij de discussie zich afspeelt rondom een verzoening in Jezus Christus ons van buitenaf aangereikt, door geloof alleen, of een verzoening door het geloof van Jezus Christus wat door de Christusgeest in ieder mens zelf aanwezig is. Bij dit laatste is verzoening met name een proces van zelf verwerkelijking.

De vraag is, of dit altijd of/of moet zijn. Misschien zijn er voor sommige mensen ook en/en situaties denkbaar. De verzoeningsleer van Herman Wiersinga wijst onder andere in die richting. De vraag is echter ook of het alleen het tweede mag zijn voor sommige mensen. Met andere woorden: is de kerk (in dit geval de PKN) bereidt om haar eigen kerkorde artikel zodanig te relativeren in openlijke bewoordingen dat er ook daadwerkelijk ruimte is voor esoterisch gelovige mensen binnen de structuur van deze kerk.

Ik ben benieuwd of het ook echt over deze vraag zal gaan. En ik ben ook heel benieuwd hoe breed deze kerk dan in werkelijkheid is. Het gaat niet om het ruimte bieden aan ‘ongeloof’, maar aan ‘anders- geloven’ binnen de muren van het instituut. Dat verdragen betekent volgens mij dat het instituut bereid moet zijn haar bestaansgrond anders te formuleren.

Waarom ik dit belangrijk vind, heb ik geformuleerd in een persverklaring voor www.kerknieuws.nl.

Dit zal maandag op internet verschijnen. Ik hoop op een open en respectvolle discussie. Ik hoop ook op duidelijkheid. Dan weten gelovige mensen waar ze aan toe zijn.

Zin om erbij te zijn? Je kunt je opgeven via: a.poort2@home.nl

Wie weet tot dinsdag.

Fennie Kruize 

Gelovig reïncarneren

ZonsopgangWie zichzelf als ‘christelijk gelovig’ presenteert en tegelijkertijd reïncarnatie propageert, begeeft zich op glad ijs. Glad ijs, omdat binnen de traditie van het geïnstitutionaliseerde christendom geen ruimte is voor reïncarnatie. Toch zijn er in toenemende mate christelijk gelovigen voor wie de gedachte aan reïncarnatie een troostrijke, hoopvolle en ook acceptabele manier van geloven is. Het helpt hen om op een voor hen verklaarbare manier met het sterfelijk zijn om te gaan. De weerstand om op deze manier met sterven om te gaan is echter binnen het gros van de geïnstitutionaliseerde kerken zo groot, dat we dit type gelovige meer buiten dan binnen het instituut tegenkomen.

De meerderheid van de predikanten en pastores doet niet aan reïncarnatie. Zij bieden hun clientèle een enkele reis naar de hemel mits ze aan de geloofsvoorwaarden hebben voldaan. Of zij hebben überhaupt geen idee meer , of er wel zoiets als een hemel bestaat. Maar als er al sprake is van een leven na dit leven , dan is dat een wereld vol individuutjes met een veranderd lichaam en zeker geen wereld waarin zielen komen en gaan. En over het algemeen zijn de laatste woorden, die aan het graf van een gelovige christen worden uitgesproken: ‘al wie in mij gelooft zal eeuwig leven hebben’ . En daarmee is dan blijkbaar ook alles gezegd.

Alleen het werkt niet meer, althans bij veel mensen niet. Het zijn woorden geworden , die over de hoofden van de mensen heengaan, hun hart niet meer raken en hun verstand op nul zetten. Veel mensen willen best wel geloven in een leven na dit leven. Graag zelfs. En ze willen daar ook wat mee hebben. Maar niet meer zo, zoals het hun altijd is verteld. Dat geloven ze niet meer. Maar ze willen ook niet zonder een verder leven. Ze zijn niet zonder. Er is wel degelijk besef, weten, dat er meer is dan dit zichtbare leven alleen. En het is vanuit dit besef, dat er een toenemende behoefte is ontstaan onder christelijk gelovigen om iets als een geloof in reïncarnatie toe te laten in hun leven.

Het geloof in reïncarnatie ontstaat  niet zomaar . Eraan vooraf gaat de vraag naar wat er met jou als mens gebeurt na je sterven. Waar ga je heen? Wat blijft ervan je over?

En het is door deze zoektocht dat de mens uit kan komen bij de gedachte van reïncarnatie. Om daar uit te kunnen komen , is het echter wel nodig, dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de lichamelijke en de geestelijke mens. In het beeld van reïncarnatie sterft immers het lichaam, maar leeft de geest,  over het algemeen de ziel genoemd, verder. In reïncarnatie kunnen geloven vooronderstelt dan ook de acceptatie, dat de ziel van de mens kan leven buiten het eigen bekende lichaam om. En dat betreft zowel de tijd die aan het eigen bekende lichaam is voorafgegaan, als de tijd die erna komt. Hoewel hier wel bij gezegd kan worden, dat de stervende mens over het algemeen meer bezig is met  het leven dat erna komt, dan het leven dat aan zijn leven vooraf is gegaan.

En waar het dan met name omgaat is het zoeken van woorden die vertalen met wat voor gevoelens, met wat voor beelden in het hart, een mens zijn of haar lichaam verlaten kan. Woorden die als het ware een brug slaan naar een leven dat nog voor de deur staat. De mens die in reïncarnatie gelooft wil niet terug kijken, die wil verder leven, alleen niet slechts in een verre hemel, maar ook hier op aarde.

En bij dat verder leven zijn een aantal verbeeldingen aan de orde . Er is het concrete verder leven van de ziel in een ander lichaam op aarde. Een verder leven waarbij, gebruik makend van de reeds door deze ziel opgedane positieve ervaringen, gesproken kan worden over een evolutie van de ziel. Waarbij als vooronderstelling geldt, dat  wat kwaad was in het gematerialiseerde leven van de mens niet in de  zielswereld verder leeft.

Daarnaast bestaat er het concept van een verder leven van de ziel in de zielswereld van God, waar alle zielen verenigd zijn, totdat zij zich in nieuwe lichamen materialiseren. Dit is een concept of verbeelding van de ziel waardoor het begrip ziels- of geestverwantschap kan ontstaan. Een verwantschap die het mogelijk maakt elkaar als zielen weer te herkennen in het aardse bestaan. En een ander concept wat hierbij ook nog een rol speelt, is de verbeelding, dat de ziel niet alleen van lichaam naar lichaam gaat , maar zich ook over meerdere lichamen zou kunnen verspreiden. En de vraag is nu, wat beweegt gelovige christenen om in hun vragen aangaande menselijke sterfelijkheid uit te komen bij een begrip als reïncarnatie?

Zoals ik al aangaf , is de eerste oorzaak veelal gelegen in het niet meer uit de voeten kunnen met de oude door de traditie bepaalde antwoorden. Daar kan men met het verstand, maar ook met het hart niet meer bij. Daar komt bij dat veel mensen zich niets kunnen voorstellen bij een lichamelijke opstanding van hun eigen huidige lichaam . We weten teveel om dat te kunnen geloven , zou je kunnen zeggen. Daar kun je met een normaal nuchter verstand niet bij.

We weten het allemaal, of we nu gecremeerd worden of begraven, van ons lichaam blijft niks over. En dat besef geldt niet alleen het eigen lichaam , dat geldt ook het lichaam van Jezus van Nazareth. Aan het geloof in reïncarnatie gaat meestal het afstand doen van de lichamelijke opstanding van Jezus vooraf. Er is dan geen sprake meer van geloof in zijn individuele lichamelijke opstanding, maar van geloof in het voortleven van de Geest van Christus in andere mensen. Gecombineerd hiermee verandert ook vaak het hemelbeeld . De voorstelling van een vaste plek, waar alle gestorven gelovigen heen zouden gaan , elkaar zouden herkennen en in een nieuw lichaam verder zouden leven, verandert in de voorstelling van een zich bewegende zielswereld waar alle zielen als positieve energiekernen samenleven. Christenen die iets met reïncarnatie hebben zijn dan ook een ander type christenen. Je vindt hen over het algemeen niet onder de orthodoxe gelovigen.

In reïncarneren geloven heeft alles te maken met het geloof in het verder leven van de geest, ook van de Geest van Christus. Het is een geloof dat in toenemende mate gevoed wordt door hervonden gnostische geschriften, waarin duidelijk wordt dat de mens niet zozeer door Christus verder leeft, maar dat Christus in de allereerste plaats door de mens verder leeft. Een ziel die steeds weer opnieuw vlees wordt in die lichamen ,die zijn Geest kennen en herkennen in hun eigen geweten. En zo betekent reïncarnatie in christelijke zin niet alleen een geloof in het doorleven van een ziel, maar ook het geloof in het doorleven van De ziel , wat in en door alle mensen mogelijk is. En het is het steeds weer reïncarneren van deze ziel in mensen , waardoor de menselijke ziel tot meer wijsheid en heelheid kan groeien.

Zoals ik al aangaf wordt dit denken met name gevoed door de buiten de officiële bijbelse kanon vallende gnostische geschriften. Dat wil echter niet zeggen dat er in de Bijbel zelf  geen ondersteuning voor dit denken te vinden is. Dat vooronderstelt echter wel een andere wijze van Bijbel lezen dan gebruikelijk is in het merendeel van de geïnstitutionaliseerde kerken.  Mijns inziens vindt de eerste incarnatie plaats in het geloofsverhaal van genesis 1. In dit verhaal wordt duidelijk gemaakt , dat het woord van God, God spreekt, in heel de schepping gematerialiseerd wordt. God internaliseert zich als het ware in alles wat leeft en leven geeft. En dat is goed, dat is heil!

En ook in genesis 2: 7 vindt een vorm van incarnatie plaats. God geeft zijn adem, zijn levensgeest aan de mens in zijn of haar lichamelijke verschijning en die geest maakt de mens tot een levende ziel. En dat zelfde beeld zie je door de hele bijbel heen. Overal waar mensen als gezalfden, als rechtvaardigen worden neergezet, wordt verhaald hoe zij door het woord van God tot ingewijde mensen worden. En ook de apostel Paulus laat bij herhaling iets zien van het onderscheid tussen het zielsleven en het lichamelijk leven en hoe de ziel steeds weer herboren kan worden. Treffend in deze is zijn beschrijving van het onderscheid tussen de aardse en de hemelse mens, zoals we dat aantreffen in 1 korinthe 15.

Maar het meest flagrante voorbeeld is misschien wel het geslachtsregister van Jezus uit Matheus 1. Onomwonden wordt hier zichtbaar gemaakt hoe de ziel van Abraham, de uit het licht vandaan gekomen mensenziel, zich door de geslachten heen ontwikkelt, steeds opnieuw laat zien en tot volmaakte heelheid wordt in Jezus van Nazareth, een mens in wie de ziel van Christus is. Christelijk gelovig zijn en in reïncarnatie geloven is zo gek nog niet, zou je dus kunnen zeggen. Zo glad is dat ijs niet. Toch glijd je erop uit, omdat er binnen de geïnstitutionaliseerde kerken geen ruimte is voor deze manier van geloven, of zoals een voormalige synodevoorzitter van de PKN  zei: ‘in de bijbel en in de belijdenisgeschriften komt het niet voor.’

Ik zou zeggen: ‘dat hangt maar net van je vooronderstellingen en je interpretatievermogen af.’

Toch is het niet raar, dat de geïnstitutionaliseerde en op orthodoxe belijdenisgeschriften gebaseerde kerken reïncarnatie afwijzen. Hun hele bestaansrecht hebben zij immers gefocust op de eenmalige lichamelijke opstanding van Jezus Christus. Alle voor de mens te behalen heil is tot het geloof daarin beperkt. De Christusziel is beperkt tot het lichaam van Jezus van Nazareth. Dat lichaam is gekruisigd, heeft geleden , is gestorven,  ten derde dage wederom opgestaan uit de doden, opgevaren naar de hemel en zit aan de rechterhand van de Vader.

Daarin ligt het geïnstitutionaliseerde zielenheil voor alle zielen, daarin ligt de belofte van een persoonlijk aan je eigen aardse eenmalige identiteit verbonden nieuwe lichaam. Zoals op sommige graven nog steeds staat vermeld: ‘hier rust tot de jongste dag.’ En als je hierin de kern van je geloven legt en alle zielsheiligheid beperkt tot één feitelijk lichaam, dan is er geen plek voor reïncarnatie van welke ziel ook, behalve misschien die van Jezus zelf bij zijn veronderstelde lichamelijke wederkomst. Daarbij komt dat de redding van de mens, of zijn of haar heelwording, zo tot het geloof in die ene lichamelijke Jezus Christus beperkt is, dat van een evolutie van de ziel of een zichzelf naar heelwording toe doen groeiende ziel geen sprake kan zijn. In dit geloofsbeeld is geen sprake van ziels of geestverwantschap tussen mensen, maar van ( kerkelijke)bloedverwantschap door het verbond.

Toch werkt dit niet. De kerken worden kleiner en een toenemende groep mensen maakt deze wijze van geloven niet meer mee. Het troost niet meer wanneer zij naar hun kinderen en kleinkinderen kijken. Het geeft geen ruimte om in vrede te sterven. Het biedt geen perspectief op morgen. Dat andere wel.

Dat wil niet zeggen, dat reïncarnatiegeloof met het verstand te bewijzen valt. Iemand die sterft wil dat ook helemaal niet bewijzen. Maar voor degenen, die er iets mee hebben, voelt het beter. In de wereld van het gevoel, het innerlijk weten , geeft het meer ruimte.

Reïncarnatiebesef doet je over je eigen grenzen heenkijken. Het maakt dat je op je eigen sterfbed je lichaam los kunt laten zonder je eigen zelf  te verliezen. Het zorgt ervoor dat je als nabestaande het lichaam van een geliefde los kunt laten zonder hem of haar kwijt te raken. Het geeft kinderen de ruimte om hun verhalen over een ander leven niet te hoeven vergeten. Het maakt dat je mensen herkennen kunt, zonder dat je elkaar ooit eerder bent tegengekomen.

Het maakt dat de Geest van Christus er wezen kan, in elke glimlach, in elk teken van hoop , in welk geloof of ongeloof dan ook. En dat geeft ruimte. Dat doet mensen met elkaar verbonden zijn over de grenzen van de buitenkant heen. Reïncarnatie, het geeft de menselijke ziel de ruimte kosmopoliet te zijn en verder te leven door de eeuwen heen in volstrekte verbondenheid met goddelijk en menselijk zijn.

Fennie Kruize

Een verhaal over sterven

Handen_800x600Adieu.
Ik lig in mijn bed. Het staat in de kamer. Ze hebben het daar neergezet. Ze willen me graag dicht bij zich hebben, deze laatste tijd. Ik kijk naar ze. Ze zijn van alles aan het doen en tegelijkertijd doen ze niks. Vaak komen ze even bij me zitten. Dan houden ze mijn hand vast. Af en toe stoppen ze een stokje met wat ijswater in mijn mond. Ze strijken ermee langs mijn lippen. Ik lik het na. Het voelt zo vochtig. ' Kijk, ze vindt het lekker', zeggen ze dan.

Ze hebben me verteld, dat ik ga sterven . Er is niks meer aan te doen. Ik wist het al een tijdje. Zoiets weet je zelf altijd het eerst. Maar het is goed, dat ze het ook hebben gezegd. Dan weten zij het ook.
Ze gaat sterven. Het komt hard bij ze aan. Ze zijn er nog niet aan toe. Ze willen me nog niet kwijt. Ik merk dat aan hoe ze me vasthouden. Soms zitten ze bij me met tranen in hun ogen. Dan strelen ze mijn gezicht en duwen een haarlok weg .

Ik begrijp hoe ze zich voelen. Ik heb zelf ook zo vaak aan een sterfbed gezeten. Ik ben nu nog warm. Daar genieten ze van. Ze kunnen me aanraken , me zien. Zo kennen ze me. Zo willen ze me houden.
Af en toe grijpt de paniek hen aan. Ineens is er dan het besef. Nog maar even, dan niet meer.
Soms glimlach ik.  Dan worden ze blij. ‘Kijk eens. Ze vindt het fijn, dat we bij haar zijn. Kijk eens, ze is tevreden. ach........’

Soms glipt er ook een traan weg uit mijn ooghoek. Ze denken dan dat ik verdrietig ben. Ik weet niet of ik verdrietig ben . Misschien ben ik het een beetje om hen, om dat geredder , dat gedoe om me heen.
Ik kijk naar hen vanaf een afstand. Ik ben er nog wel. Mijn lijf ligt hier ook nog. En ik hoor en zie alles. Maar op één of andere manier ben ik er niet bij zoals zij me zien. Zij zien mijn buitenkant, mijn lichaam, mijn gezicht, zoals ik altijd gekeken heb. Hoewel, soms ziet iemand het verschil. 'Kijk', hoor ik dan zeggen, ' haar ogen staan anders . Het is net alsof ze al naar binnen kijkt.'
Kijk ik naar binnen? Of kijk ik naar mezelf?

Wat hier gebeurt komt me bekend voor. Ik heb dit eerder meegemaakt. Toen ik in dit lichaam geboren ben, toen was het ook zo. Toen zagen ze ook mijn buitenkant. Wat een gedoe was dat . ' Ach wat mooi, wat lief toch, zo'n kleintje. Wat een wonder toch. Alles zit er op en eraan. En kijk eens hoe rose.'
En dat ging maar door. Ze zagen van alles aan me. Maar toch klopte het niet. En ik weet weer, wat er niet klopte. Ze zagen alleen maar mijn buitenkant. Mij zagen ze niet. Ze dachten toen dat ik en wat zij zagen hetzelfde was.

En nu, nu ik dit lichaam uitga, nu gebeurt hetzelfde.
Ik kijk naar mijn lichaam. Ik merk, dat ik aan het loslaten ben. Hier en daar zit nog een stukje vast. Maar ik trek me steeds meer los. Het was goed in dit lichaam te zijn. Soms baalde ik er wel eens van, als het weer te dik was of in de tijd, dat ik zoveel puisten had. Een ook de laatste tijd was het wel moeilijk erin te wonen. Het lichaam paste steeds minder bij mij. Het wou niet meer wat ik wou.
‘Ik was ziek,’ zeiden ze,  ik kon niet genezen. Een beetje uitstel was nog mogelijk’. Die heb ik ook genomen. Maar nu is het over.

' Dit is het laatste ', hoor ik iemand in de kamer zeggen. Het wordt stil om me heen. Ze zitten nu allemaal aan mijn bed. Ik zie dat hij mijn hand vasthoudt. Hij is mijn lief. Zijn hand streelt over mijn arm.
Ik zie dat er een traan opvalt. Ik voel dat niet meer. Ik ben los van mijn lichaam.
‘Luister ‘, zegt er één, ‘ haar ademhaling wordt anders. Ze valt steeds meer weg.’
Ik heb helemaal niet het idee, dat ik val. Het voelt eerder alsof ik aan het vliegen ben. Ik voel me zo licht als een vlinder die wegvliegt op de wind.

Nog eenmaal kijk ik naar ze. Ik zou het zo graag willen zeggen. Kijk toch eens anders. Pin je niet zo vast op mijn buitenkant. Kijk eens bij mij naar binnen. Ik verlaat dit lichaam, waar ik ooit in geboren ben. Het huis raakt leeg. Maar ik ben niet weg. Ik verhuis alleen maar.

Nog even raak ik iedereen aan. Alleen zij voelt het. Dat kleine meisje , dat de dood nog nooit eerder heeft gezien, maar het nu ook niet ziet. Ze strijkt over haar schouder. Haar ogen volgen me. 'Dag oma', hoor ik haar in zichzelf zeggen, ‘tot de volgende keer'.  De anderen huilen. Zij zien en voelen me niet meer.
Ik hoop dat het niet te lang zal duren , dat ze  zien en voelen, dat ik er nog steeds ben.

Even ga ik wat verder weg. Ook zij moeten leren mijn lichaam los te laten. Daar doen ze langer over dan ik. Maar als ze het hebben losgelaten dan kom ik terug. Ik zal er zijn in hun dromen, onderweg, in de tuin, in die eerste voorjaarsbloem. En voor hem? Misschien in die nieuwe liefde waarin hij niet mij herkent, maar ik hem wel.
Adieu. Ik ga op weg naar de wereld waar ik alleen maar hoef te wezen.