Nationale synode.
De nationale synode , bestaande uit een aantal kerkgenootschappen, waaronder de PKN, heeft een nieuwe geloofsbelijdenis geformuleerd. Met de belijdenis doet zij een poging de breedte van de christenheid op één lijn te krijgen. In het volgende wil ik bij deze belijdenis een paar vragen stellen.
Uitgangspunt.
De geloofsbelijdenis begint met de woorden: 'wij geloven in de Levende God: Vader, Zoon en Heilige Geest'. Dit geeft aan , dat de drieenheid, ontstaan naar aanleiding van de geloofsdiscussies van de eerste eeuwen na Christus, nog steeds uitgangspunt van het christelijk geloof is voor deze kerken. Daarmee wordt dus aangegeven dat men niet terug wil achter de besluiten van de vroege synodes, te beginnen met die van Nicea. En ook uit de rest van deze belijdenis blijkt ,dat ,wat toen is afgewezen, nog steeds wordt afgewezen. Mijn conclusie is dan ook, dat deze kerken wel de breedte van de christenen willen aanspreken, maar dat voor hen daar alleen diegenen toe behoren, die zich scharen in de traditie van de geloofsbelijdenissen van de kerk vanaf 325. Ik zal proberen dat duidelijk te maken aan de hand van het bespreken van de tekst.
God de vader.
Het eerste wat opvalt dat is dat men over God spreekt, zonder uit te leggen wat men met God bedoelt. Veel Godsbeelden die in de loop der eeuwen zijn ontstaan en verkondigd vanuit de geinstitutionaliseerde kerken hebben mensen doen afhaken, omdat zij met die Godsbeelden volstrekt niet uit de voeten konden. Blijkbaar is duidelijk voor de opstellers van deze geloofsbelijdenis wie of wat onder het begrip 'God' moet worden verstaan.
Het tweede wat opvalt, is dat men uitgaat van een God ,die als zelfstandig wezen opereert buiten mensen om. Wel met behulp van mensen, maar niet één van wezen met de mensen. Dit betekent dat een esoterisch Godsbeeld, waarbij God als levende vonk aanwezig is in al wat leeft, ook in de mensen, geen aanvaard Godsbeeld is. God staat buiten de mens.
God wordt schepper genoemd, zonder daaraan te verbinden waarvan hij de schepper is en wat scheppen inhoudt. Hij is de oorsproing van alle leven. Maar wat wordt daarmee bedoeld? Houdt dit in dat het goddelijk wezen, als de bevrijder uit de slavernij vandaan, de oorsprong, de drijfveer van alle leven is? Of is dit een tijdsbegrip en geeft het aan dat het leven ooit eens door deze God geschapen is?
God wordt ook beschreven als degene die het leven van de mens bestemd. Is dit een ander woord voor uitverkiezing en predestinatie? Welke rol speelt hierin de vrije wil van de mens ?
Er wordt heel stellig beweerd dat de mens zonder God, waar hij Hem vergeet en verlaat, de zin van zijn bestaan kwijt raakt. Ook hier is weer van belang dat duidelijk is over welke 'God' we het hebben. Ik ken veel mensen die zo zijn afgeknapt op het exoterische, buiten de mens staande Godsbeeld, dat zij juist door deze God te verlaten meer zin in hun bestaan hebben gevonden.
Er wordt ook beweerd, dat, waar de mens God verlaat en vergeet, de wereld gedoemd is in het oordeel te vergaan. Alsof de wereld slecht zou zijn wanneer zij dit Godsbeeld niet aan zou hangen. Hebben christenen de vrede in de wereld gebracht? Hebben christenen de mensheid wereldwijd de ruimte gegeven op hun eigen manier, met hun eigen geloof en cultuur in vrede te leven? Deze vraag stellen is haar al beantwoorden. Ik kan boos worden bij dit soort hoogmoedige en pretentieuse uitspraken.
De enige reden waardoor het goed kan komen is dat God trouw blijft. Dat het goed is door Gods trouw , kan ik beamen. Maar daarbij heb ik wel een ander beeld van God, dan de God die van buitenaf ons bestemd tot dit spoor. Alles staat en valt dan ook in dit eerste gedeelte over God de vader met het beeld dat de nationale synode daarbij voor ogen heeft. Mijns inziens kan het niet ,dat we in deze er gewoon vanzelfsprekend vanuit gaan, dat iedereen bij het woord 'God' hetzelfde voor ogen heeft, laat staan wanneer we daar ook nog eens het woord vader aan verbinden.
God de vader is blijkbaar nog steeds het uitgangspunt. God als ouder zou nog te pruimen zijn, maar ook dan blijft het een term die uitegelegd moet worden. Over wat voor ouder - kind relatie hebben we het. De ouder die het pad van het kind bestemd en zonder wie het kind niet leven kan? Of de ouder als partner van het kind, met wie het kind in gelijkwaardigheid leven kan?
Jezus Christus.
Bij dit gedeelte ben ik in eerste instantie positief verrast. Jezus wordt gezien als geboren uit Israel, in hem is Gods verborgen hartklop te horen en hij wordt een rechtvaardige genoemd, die ons heeft voorgeleefd wat de wil van God is. Als esoterisch gelovige kan ik hier een heel eind mee uit de voeten. Alleen het woord 'verborgen' snap ik niet zo. Doet me aan die eeuwig onzichtbare God denken, die wel van alles doet, maar we zien er niks van. Laat die hartklop maar horen en zien , denk ik dan. Maar los daarvan, Jezus wordt in een context gezet en hij wordt tot een goed mens gemaakt , die één van wezen is met het goddelijk wezen. En dat we in Jezus God echt leren kennen is ook prima. In de verhalen over zijn leven komen we immers een mens tegen die laat zien wat echt menselijk en daarin echt goddelijk (goed) is. De vraag is alleen , gaat het hier om een God die ook in Jezus was, of om een God die alleen in Jezus was?
Moeilijker wordt het wanneer deze belijdenis begint over de verzoening door de kruisdood van Jezus. Het idee dat een mens , die 2000 jaar geleden leefde, de schuld van de mensheid op zich genomen heeft en daardoor die mensheid weer verzoend heeft met God, roept bij mij geen geloofsvrijheid op , maar een afhankelijkheid die we als vrije mensen niet zouden moeten willen. Ook hier geldt weer dat het buiten de mens zelf wordt gelegd. Het is niet de mens ,die aan zijn verzoening met het goddelijk wezen moet werken. het is buiten hem om voor hem gedaan.
Bij de opstanding valt op , dat zij wordt verwoord in termen van nieuw leven. De problematiek rondom lichamelijke of geestelijke opstanding is daarmee omzeild. Het klinkt hoopvol. Toch zie je ook hier weer de invloed van een exoterisch godsbesef en een negatief mensbeeld. Geen mens is meer een hopeloos geval door Jezus sterven en opstanding, zegt de tekst. Met andere woorden , buiten dit godsbeeld en dit Jezus verstaan om is de mens nog steeds een hopeloos geval voor wie geen redding is. Ik realiseer me dat met deze vooronderstelling een groot deel van het bestaansrecht van de christelijke kerken staat of valt, maar waar halen we het recht vandaan nog steeds zo te denken? Dit is toch een meerwaarde denken dat aan de mens geen recht doet? Dat de verhalen uit de bijbel, ook die over Jezus, kunnen helpen om tot een goede zelfreflectie te komen en aan een vreedzame wereld te werken, zal ik nooit bestrijden. Maar de conclusie dat mensen , die deze weg niet gaan, hopelose gevallen zijn en de wereld tot een kwade wereld zouden maken , vind ik onacceptabel. Hierin baseert deze geloofsbelijdenis zich op een uitsluiting en veroordeling die de kerken eeuwenlang heeft gekenmerkt. Deze uitsluiting heeft mijns inziens echter meer kwaad dan goed gedaan . Bovendien wanneer jijzelf goed doet op basis van jouw eigen vertrouwde bronnen , betekent dat toch niet dat anderen , die zich op andere bronnen baseren , bij voorbaat fout zouden zijn. Je bent toch verkeerd bezig in wat je doet en niet in wie je bent?
De Heilige Geest.
Deze belijdenis begint met de woorden: 'met pinksteren is de Heilige Geest uitgestort'. Dat wekt gelijk de indruk dat daarvoor en daar buiten om geen sprake is van deze Geest. Of dit ook zo bedoeld is? Dat zou duidelijk moeten worden door de taal van zo'n geloofsbelijdenis. Ook in de woorden waarmee de Heilige Geest beschreven wordt, wordt duidelijk dat het om een Geest gaat , die van buiten komt. Weliswaar open hij hart en ogen voor Jezus, maar juist door hier van Jezus te spreken en niet van de Christus, wordt duidelijk dat de Heilige Geest ons verwijst naar de persoon Jezus van Nazareth en niet naar de Geestkracht , die in Hem was. En zo bevestigt ook dit gedeelte de beperking van de Christusgeest tot Jezus. het zijn anderen, doorademd weliswaar met de Geest , die ons op het spoor van naastenliefde brengen.
Het lichaam van Christus, de kerk.
Het slot van de belijdenis stelt het lichaam van Christus , de vertegenwoordiging van Christus op aarde, gelijk aan de kerk. Ook hiermee bevestigt zij de traditie der eeuwen die christen zijn zozeer aan de kerkelijke leer heeft verbonden, dat wie daarbuiten viel als niet- christelijk (hopeloos geval) werd weggezet.
De gebroken eenheid is een pijnpunt voor de deelnemers aan de nationale synode. Duidelijk is echter dat die pijn alleen de mensen betreft, die zich binnen de kudde van de ene herder ( en de ene ware kerk?) bevinden. Duidelijk is ook dat kuddedieren blijkbaar niet verschillend mogen geloven. Het verloren schaap moet teruggebracht en niet zoals Thomas in zijn evangelie schrijft , worden geprezen omdat hij het aandurft een eigen weg te gaan.
Onduidelijk is in hoeverre we andere godsdiensten accepteren als gelijkwaardige godsdiensten . Wie de verhalen leest over missionair kerk zijn in Nederland bespeurt de drang om te bekeren tot het zogenaamde ene ware geloof in Jezus Christus. In relatie tot de woorden over hopeloze gevallen, is de vraag prenant of er ook goede mensen buiten het christelijk geloof om te vinden zijn.
Het doel.
Het doel van deze geloofsbelijdenis is onderweg zijn naar de dag dat Jezus Christus terugkomt. De wijze waarop dit geformuleerd is , wekt de indruk, dat dit een letterlijk te nemen gebeurtenis en dat we daadwerkelijk uitzien naar een terugkeer van de persoon Jezus van Nazareth. En het slot akoord geeft aan , dat aan alle veronderstelde ellende pas een eind komt, wanneer God daartoe besloten heeft. Wederom predestinatie dus.
Conclusie.
Het geheel van deze geloofsbelijdenis lezend kom ik tot de volgende conclusies:
- Er is geen ruimte binnen de ene kudde voor esoterisch gelovige mensen. Indien men het niet zo bedoeld , zullen een aantal begrippen opnieuw geformuleerd moeten worden.
- Het letterlijk nemen van bepaalde bijbelse verhalen is nog steeds uitgangspunt van denken. Symbolisch, spiritueel verstaan en letterlijk nemen lopen door elkaar heen.
- De verwoording van het geloof in de drieenheid heeft een mensbeeld tot gevolg die een onderscheid maakt tussen mensen die van God en mensen die van God los zijn. Daarbij worden christelijke kerkmensen , die dit geloof beamen neergezet als mensen van God en daarin goed en mensen die van God - los zijn als hopeloos en kwaadwillend.
- De kerken baseren zich nog steeds op hun meerwaarde gelegen in vermeende krachten buiten hen om en niet op een eigen innerlijke waarde.
Tenslotte.
Ik werk nog steeds binnen de kerk. Regelmatig wordt ik neergezet als een dwaaleraar . De voornaamste reden daarvoor is, dat ik Jezus Christus niet als de enige redder van de mensheid zie. Voor mij is het verhaal van Jezus belangrijk, omdat daarin duidelijk wordt wat het toelaten van de Christus geest, de goddelijke vonk, met mensen kan doen. Hoe goed een mens kan zijn. En dat geeft mij hoop en vertrouwen. Deze manier van denken ziet geen mens als een hopeloos geval, omdat geen mens van nature een hopeloos geval is. Vanuit deze manier van denken hoef ik geen onderscheid te maken tussen wel of niet 'christelijk-kerkelijke 'mensen. Door zo te geloven kan ik doorgaan. Wel vind ik het erg verdrietig dat daar blijkbaar binnen de ene kudde geen plek voor is. Ik hoop nog steeds dat er taal gevonden wordt , waardoor al diegenen die er eeuwenlang bnnen de kerken niet mochten zijn, zich er toch thuis kunnen voelen.
Fennie Kruize
Download wij_geloven_in_de_levende_go21.doc
Laatste reacties